Eiwitten 



Ook genetische variatie in andere eiwitten dan enzymen kunnen verantwoordelijk/voorspellend zijn voor afwijkende reactie op geneesmiddelen.

Voorbeelden zijn het aangrijpingseiwit van coumarines VKORC1, geneesmiddelreceptoren zoals o.a. OPRM1 (morfine) en eiwitten van het HLA-complex: HLA-B*5701 (Abacavir). 


 

Variant 



Dragers van deze variant zijn alleen op te sporen door DNA onderzoek.

DNA varianten die in >1% van de bevolking voorkomen worden genetische polymorfismen of SNPs (single nucleotide polymorphisms) genoemd. Het hebben van een DNA variant voor een geneesmiddel metaboliserend enzym leidt niet tot ziekte. Maar voor behandeling met medicijnen kan in een aantal gevallen een aangepaste therapie beter werken.


 

Verschillen 



Er bestaan verschillen tussen mensen in hun vermogen om geneesmiddelen af te breken.

Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door DNA varianten van metaboliserende enzymen. Een DNA variant codeert vaak voor een minder actief enzym. In een enkel geval kan een DNA variant juist coderen een hogere enzymactiviteit. Hierdoor hebben sommige personen een lagere, en andere personen juist een hogere dosis van een geneesmiddel nodig om het juiste effect te verkrijgen. Of hebben sommige mensen meer last van bijwerkingen op een standaard dosis dan anderen.


 

Enzymen 



Geneesmiddelen worden in het lichaam afgebroken door enzymen in de lever.

Cytochroom P450 enzymen maken hier een belangrijk onderdeel van uit. CYP2D6, CYP2C9, CYP2C19 en CYP3A4/5 zijn klinisch de belangrijkste, enzymen. Samen zijn ze betrokken zijn bij het metabolisme van 70% van alle geneesmiddelen. Naast cytochroom P450 enzymen spelen ook andere enzymen een rol bij geneesmiddelafbraak, zoals methyltransferases, sulfotransferases, UDP-glucuronosyltransferases, acetyltransferases en geneesmiddeltransporters.  


 

FARMACOGENETISCH PROFIEL



Wanneer overdosering (toxiciteit) of onderdosering (effectiviteit) ernstige gevolgen kan hebben, kan vooraf bepalen van het farmacogenetisch profiel (screening op relevante genetische polymorfismen) een waardevolle benadering zijn.

Anderzijds kan bij probleemgevallen (patiënten die bij een standaarddosering ongewoon hoge of lage plasmaspiegels hebben) een genetische oorzaak worden aangetoond of uitgesloten. Dit alles om tot meer begrip van een klinisch probleem te komen en een afgewogen keuze voor een alternatief medicijn te kunnen maken.