FARMACOGENETICA



Farmacogenetica is de studie naar de erfelijke aanleg van geneesmiddelenafbraak. Door een DNA analyse is te voorspellen hoe u uw medicatie afbreekt.

Farmacogenetica is een relatief jong onderzoeksgebied. Het richt zich op genetische variatie als oorzaak van verschillen in de effecten van geneesmiddelen. Met de bewaking op basis van de kennis over de genetische eigenschappen van een persoon kan het effect van geneesmiddelen worden geoptimaliseerd.

Bekijk hier de folder met achtergrondinformatie "Farmacogenetica - Uw medicatie op maat".


 

Eiwitten 



Ook genetische variatie in andere eiwitten dan enzymen kunnen verantwoordelijk/voorspellend zijn voor afwijkende reactie op geneesmiddelen.

Voorbeelden hiervan zijn onder andere het eiwit waarop coumarines hun effect bereiken: het VKORC1. Een DNA variant hierin leidt tot een veel hogere gevoeligheid voor onder andere Sintrom, waardoor mensen met deze variant een lagere dosering moeten krijgen.
Ook variaties in geneesmiddelreceptoren zoals o.a. OPRM1 (morfine gevoeligheid) en eiwitten van het HLA-complex: HLA-B*5701 (kans op bijwerkingen op Abacavir) spelen een rol.


 

Variant 



Dragers van genetische varianten zijn op te sporen door middel van DNA onderzoek. Dit kan op wat bloed, maar ook door middel van wat wangslijmvlies.

DNA varianten die in >1% van de bevolking voorkomen worden genetische polymorfismen, oftewel "SNPs" (single nucleotide polymorphisms) genoemd. Het hebben van een DNA variant voor een enzym dat geneesmiddelen afbreekt  leidt niet tot ziekte, en heeft alleen maar consequenties voor geneesmiddelen die via dat enzym worden afgebroken. Kennis over deze DNA varianten zorgt ervoor dat behandeling met medicijnen beter kan worden afgesteld op uw persoonlijke eigenschappen.


 

Verschillen 



Er bestaan verschillen tussen mensen in hun vermogen om geneesmiddelen af te breken.

Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door DNA varianten van metaboliserende enzymen. Een DNA variant codeert vaak voor een minder actief enzym. In een enkel geval kan een DNA variant juist coderen een hogere enzymactiviteit. Hierdoor hebben sommige personen een lagere, en andere personen juist een hogere dosis van een geneesmiddel nodig om het juiste effect te verkrijgen. Of hebben sommige mensen meer last van bijwerkingen op een standaard dosis dan anderen.


 

Enzymen 



Geneesmiddelen worden in het lichaam afgebroken door enzymen in de lever.

Cytochroom P450 enzymen maken hier een belangrijk onderdeel van uit. CYP2D6, CYP2C9, CYP2C19 en CYP3A4/5 zijn klinisch de belangrijkste, enzymen. Samen zijn ze betrokken zijn bij het metabolisme van 70% van alle geneesmiddelen. Naast cytochroom P450 enzymen spelen ook andere enzymen een rol bij geneesmiddelafbraak, zoals methyltransferases, sulfotransferases, UDP-glucuronosyltransferases, acetyltransferases en geneesmiddeltransporters.  


 

FARMACOGENETISCH PROFIEL



Wanneer overdosering (toxiciteit) of onderdosering (effectiviteit) ernstige gevolgen kan hebben, kan vooraf bepalen van het farmacogenetisch profiel (screening op relevante genetische polymorfismen) een waardevolle benadering zijn.

Anderzijds kan bij probleemgevallen (patiënten die bij een standaarddosering ongewoon hoge of lage plasmaspiegels hebben) een genetische oorzaak worden aangetoond of uitgesloten. Dit alles om tot meer begrip van een klinisch probleem te komen en een afgewogen keuze voor een alternatief medicijn te kunnen maken.